Het viel al op in de wedstrijd tegen Willem II, en ook tegen FC Utrecht gebeurde het weer: Ajax voetbalt grote delen van de wedstrijd best aardig, maar komt slechts mondjesmaat tot kansen. Hoe komt dat? Een analyse van de twee voornaamste problemen die Ajax heeft bij het creëren van kansen.
Allereerst een korte uitleg over wat tegenstanders anders doen. In het begin van het seizoen en in grote delen van eerdere wedstrijden zetten tegenstanders vrolijk druk op Ajax. Juist tegen dat soort druk weet dit Ajax, met goede patronen in de opbouw (vaak, niet altijd), redelijk gemakkelijk onderuit te voetballen. In de wedstrijden tegen Utrecht en Willem II was dat minder het geval, zoals vaker gebeurt tegen tegenstanders die inzakken. Ajax heeft moeite met de kleinere ruimtes, zeker wanneer beide buitenspelers onder dubbele dekking staan. Op dat moment ontstaat probleem 1:
Gebrek aan rotatie en benutting van de flanken
Vanaf het begin bestaat de speelstijl van Francesco Farioli uit één belangrijk onderdeel: het uitspelen van de 1-op-1-duels door de buitenspelers. In een vroeg stadium is het de bedoeling om de backs aan de binnenkant te positioneren, zodat de buitenspelers 1-op-1 komen te staan. Doordat de backs vaak naar binnen trekken, moet de tegenstander kiezen, en volgen zij vaak de backs richting het centrum. Hierdoor zie je geregeld dat de centrale verdedigers van Ajax de buitenspelers direct inspelen, die zo in een 1-op-1-situatie terechtkomen.

Het probleem voor Ajax is dat in de afgelopen weken is gebleken dat veel buitenspelers uit vorm zijn. Zowel Mika Godts, Bertrand Traoré als Steven Berghuis blijken momenteel niet in staat om hun man structureel uit te spelen. Godts kwam tegen Utrecht nog tot het hoogste aantal geslaagde dribbels (twee), terwijl Berghuis en Traoré er niet in slaagden ook maar één geslaagde dribbel te maken. Dat deze spelers hun directe tegenstanders niet voorbijkomen, is lastig op tactisch niveau te veranderen. Spelers zijn nu eenmaal onderhevig aan vorm, en Ajax heeft bovendien niet veel alternatieven op de vleugels. Oliver Edvardsen zou een optie kunnen zijn op links, maar hij staat niet bekend als een dribbelaar. Ook zijn statistieken zijn matig: 18 geslaagde dribbels dit seizoen met een slagingspercentage van 52,9%. Toch zou hij met zijn diepgang kwaliteit kunnen toevoegen en op andere vlakken een meerwaarde kunnen zijn. Maar dit is niet de enige mogelijke oplossing.

Waar de samenwerking op de linkerflank tussen Jorrel Hato, Kenneth Taylor en Mika Godts in het begin van het seizoen nog soepel verliep, is daar nu de klad in gekomen. Vooral Taylor bemoeit zich minder met het ondersteunen van Godts in deze situaties. Of dat toeval is of een bewuste keuze, is moeilijk te zeggen. Taylor lijkt er bewust voor te kiezen vaker in het centrum te blijven, om vanuit daar gevaarlijk te worden. Op zich logisch: in het centrum scoor je doelpunten. Maar het ondersteunen van Godts zou ook door Hato kunnen worden gedaan. Toch blijkt de praktijk weerbarstiger. Godts is sinds de winterstop duidelijk minder in vorm (een grilligheid die je bij een talent mag verwachten) en staat vrijwel constant tegenover dubbele dekking. Dat maakt het hem ook niet makkelijk. Waar voor de winterstop vaak een roterende driehoek werd gevormd op links, is die dynamiek verdwenen omdat Taylor zich er minder mee bemoeit. Hierdoor zijn Hato en Godts meer op elkaar aangewezen.

Het zou dus verstandig zijn voor Farioli om opnieuw nadrukkelijker te kiezen voor rotatie op de linkerflank, om zo te profiteren van de complementariteit tussen Hato, Taylor en Godts, zoals eerder dit seizoen al vaak te zien was. Op die manier kan Ajax meer kansen creëren.

Een soortgelijk patroon zien we eigenlijk het hele seizoen aan de rechterkant. Daar kiest Farioli er structureel voor om de rechterflank te laten afhangen van de individuele kwaliteiten van de rechtsback en rechtsbuiten. Deze asymmetrische aanpak is niet nieuw, maar brengt vergelijkbare problemen met zich mee, zeker wanneer de buitenspelers niet in vorm zijn. Een mogelijke oplossing zou kunnen zijn om Davy Klaassen erbij te betrekken, maar hij voelt zich hierin minder comfortabel dan Taylor aan de andere kant. Dat zal ook Farioli’s overweging zijn. Daarom ligt het voor de hand om vooral op links weer te gaan roteren. Toch, wanneer Fitz-Jim als rechter aanvallende middenvelder speelt, kan ook aan die kant een roterende vleugel mogelijk worden. Farioli moet hierin een keuze maken: kiest hij voor rotatie op beide flanken, of volstaat alleen de linkerkant, zodat Klaassen zijn waarde in de zestien kan blijven tonen?

Tegelijkertijd ligt de sleutel in het krijgen van spelers in de juiste posities. Op cruciale momenten vertraagt Ajax te veel wanneer de bal al op de helft van de tegenstander is. Waar in de eerste fase van de opbouw Ajax steevast probeert een tegenstander te lokken, werkt dit minder goed wanneer Ajax al ver op de helft van de tegenstander is. Op die momenten moet er sneller van kant worden gewisseld, en moet de bereidheid om loopacties te maken blijven bestaan. Want ruimtes ontstaan pas als je de tegenstander voldoende uit elkaar trekt – iets wat Ajax momenteel te weinig doet. Het lokken heeft zeker nut, maar alleen in de juiste zone van het veld.

Als Ajax deze twee onderdelen los van elkaar verbetert, kan het de vleugels beter benutten en vanuit daar weer directer tot kansen komen. Toch is dit slechts een deel van het verhaal.
Voorzetten en bezetting voor het doel
Ajax gaf in de wedstrijd tegen Willem II maar liefst 43 (!) voorzetten, waarvan slechts 9 een medespeler bereikten. Pas de voorzet op Edvardsen leidde tot een doelpunt. Waarom levert dit relatief weinig rendement op? Er zijn drie belangrijke factoren: de loopactie voorafgaand aan de voorzet, de kwaliteit van de voorzet zelf, en de bezetting voor het doel. Op al deze fronten is verbetering mogelijk.
Wat opvalt is dat Anton Gaaei veel voorzetten mag geven en ook vaak in de positie komt om dit te doen. Hato daarentegen kwam slechts tot één voorzet. Gaaei gaf er maar liefst negen. Het verschil zit hem vooral in de timing van de loopacties. Hato herkent de ruimte vaak te laat, waardoor deze al dichtgelopen is. Gaaei timet zijn loopacties ook niet altijd goed – hij loopt vaak te vroeg of te ver naar de zijkant, waardoor hij weliswaar een voorzet kan geven, maar vanaf een suboptimale positie, vaak op of voorbij de achterlijn, of buiten het strafschopgebied, waardoor een voorzet een stuk minder kansrijk is. Voorzetten vanaf het vak tussen de zestienmeter en de zijlijn leiden slechts in iets meer dan 1 procent van de gevallen tot een goal, terwijl als een teruggetrokken voorzet vanaf binnen de zestienmeter boven de 10% uit komt. Het verschil is een paar meter, en een goede timing in de loopacties en weten wanneer je ook een voorzet niet moet geven.


Dan de kwaliteit van de voorzetten zelf. Gaaei heeft een goede traptechniek, maar dat is iets anders dan goed kunnen voorzetten vanaf de zogenoemde assistzone (tussen vijfmetergebied en zestienmeterlijn). Daar draait het minder om traptechniek en meer om overzicht. Ajax kiest bijna altijd voor een voorzet recht voor het doel, terwijl teruggetrokken ballen veel effectiever zijn – zeker tegen tegenstanders die in voorwaartse beweging zijn. Ook dit draagt bij aan het lage rendement van de voorzetten.

Tot slot: de bezetting voor het doel. Er staan vaak simpelweg te weinig Ajax-spelers in de zestien, waardoor de tegenstander numeriek in het voordeel is. Maar het gaat niet alleen om aantallen. Te vaak staan de Ajax-spelers in één lijn, op weg naar de eerste of tweede paal, terwijl de zone daarachter onbemand blijft. Dit viel juist in het begin van het seizoen positief op, maar is nu verslechterd. Brian Brobbey valt hierin op, vaak niet op de juiste plek. Maar dit geldt voor meerdere spelers. Ook hier is dus ruimte voor verbetering.

Conclusie
Er zijn twee hoofdproblemen waar Ajax in de komende tijd aan moet werken. Het zijn geen gigantische kwesties, maar eerder verfijningen. Zo speelde Ajax tegen FC Utrecht geen goede wedstrijd, maar was het verschil in expected goals beperkt (Utrecht 0,92 vs. Ajax 0,77). Soms is voetbal ook gewoon een spel van momenten en geluk – iets waar Ajax dit seizoen geregeld van heeft geprofiteerd.
Als Farioli de laatste puntjes op de i weet te zetten in het aanvallende derde deel van het veld, kunnen er in de komende wedstrijden weer voldoende kansen worden gecreëerd. Of die ook worden afgemaakt, blijft natuurlijk een tweede.

Geef een reactie